Nieuw-Zeeland

juni 14th, 2011

Al zijn we misschien wel al thuis voor je dit leest, een berichtje over Nieuw-Zeeland kan toch niet ontbreken als we de blog echt volledig willen maken. Dat is trouwens makkelijker gezegd dan gedaan, iedereen zegt op zijn blog dat N-Z ò zo mooi is, en dat er zoveel te zien is, en allemaal op zo’n klein stukske land, en dat drie weken niet genoeg is om alles te zien, en amai, en waw, en veel complimenten voor prachtig Nieuw-Zeeland.

En dan kijk je naar foto’s van mensen die er geweest zijn en zie je bergen, veel groen en hier en daar een schaap en vraag je je af of al dat gestoef niet een beetje overdreven was. Maar Nieuw-Zeeland plakt niet op foto, het is te groot, en te mooi, en te overal. Ge moet er eigenlijk geweest zijn. Zelfs de dolfijnen zwemmen net iets te rap om er klare foto’s van te krijgen. En dan mogen we er nog zoveel gezien hebben, de bewijzen ervan zijn wazig.

De zeehondjes maken gelukkig veel goed, want die zijn redelijk lui en fotogeniek. Caroline slaagde er in om nét niet over eentje te vallen. Gelukkig, want ze zijn niet klein en kunnen nijdig bijten ‘t schijnt. Ik kwam te laat voor de bijna-valpartij, maar kon nog juist een foto trekken van haar verschot:


Gletsjers zijn daar ook ambetant voor. Wij zien hier hoe enorm ze zijn, groot genoeg om rotsen te verpulveren waarlangs ze passeren. Op foto lijken ze klein en dat grijs stof maakt ze vooral een beetje vuil, die vieze gletsjers. Maar niets is minder waar natuurlijk.
En de ijsbergen die er afbreken zijn precies ijsblokjes. De boot vol toeristen op de foto geeft gelukkig wat perspectief. Ja, het gele vlekje is een bootje.


Nu we aan het eind van de reis zijn en niet zoveel tijd hebben voor N-Z, reizen we een stuk rapper dan alle maanden ervoor. We hadden een behoorlijk druk schema deze laatste drie weken. Te veel om op te noemen, en voor dit laatste blogbericht nemen we de vrijheid om er gewoon enkele dingen van op te sommen:

Eerst en vooral ons verschot over welk een spookstad Christchurch geworden is na de aardbeving: het centrum van de stad is verboden terrein omdat echt élk gebouw op instorten staat. De straten zijn opengescheurd, de rand rond de stad lijkt verlaten, grijs en griezelig. Onze eerste nacht werden we wakker door een naschok van 4.1, en vertrokken nogal rap daarna…

De ‘Thunder Jet’, de 750pk motorboot waarmee we rakelings langs rotsen en brugpijlers zoefden op och-here vijf centimeterkes water, met hier en daar tussendoor 360 graden spins en stroomversnellingen. Ook hiervan hebben we vooral foto’s van wazige strepen en rondvliegend water. Ge gaat ons op ons woord moeten geloven.


Nog een boottrip, maar iets trager, door Milford sound. Een fjord (en we weten nu zelfs wat dat woord wil zeggen) met zoveel watervallen rond ons dat we er voor efkes geen meer moeten zien zelfs. Adembenemend mooi decor met dolfijnen hier en daar, en zeehondjes die ons van op de rotsen toekeken.

En de chocoladefabriek waar Caroline zich ziek at, en de duizenden gloeiwormkes in de Waitomo grot, en de geisers, de mudpools en warmwaterbronnen en de haka van de Maori’s en te veel om op te noemen.


Maar misschien nog het mooiste van al, was gewoon onderweg: op enkele uren rijden van zee en strand door regenwoud naar besneeuwde bergen en geen minuut zonder “waw”, en “amai”, en “ja ze hadden misschien wel gelijk over Nieuw-Zeeland, we hadden ons hier langer kunnen bezighouden.”

Voila,
Als we nu nog een laatste keer sjans hebben, we hebben er al heel ‘t jaar, dan trekt de aswolk vanuit Chili op haar gemakje verder weg en vliegen wij zonder probleem richting frietjes, préparé en braadworsten.

We zijn al eens gaan oefenen :-)

Foto’s van het zuid eiland vind je hier

Foto’s van het noord eiland vind je hier

Byron Bay – Whitsundays – Sydney

mei 22nd, 2011

3 Weken Byron Bay! Het langste dat we in de laatste tien maanden al ergens gebleven zijn. Voor we het wisten was het Pj’s verjaardag, en hadden we al een serieus groepke vrienden om dat mee te vieren. Van één avond feest kwamen er twee, en uiteindelijk nog een derde.
Met een klein katerke en een groot gat in onze portemonnee van die verjaardriedaagse, gooiden we ons hebben en houden weer in de van om dan toch maar eens te vertrekken.

Tegen dan hadden we onze nieuwe nummerplaten ontvangen, samen met een brief die ons meldde dat de smoezen die we verzinden om onze boete niet te moeten betalen niet zouden pakken. We hoorden al wilde verhalen over mensen die op de luchthaven hun vlucht naar huis niet mochten nemen tot ze hun openstaande boetes betaalden. En of die verhalen nu waar zijn of niet, we waren er niet gerust in en betaalden ze toch maar voor alle zekerheid.

We reden traagjes naar het Noorden, en vielen al snel terug in oude gewoontes: van strand naar stand, op zoek naar de beste golven en de mooiste plekjes om vandeverniet te kamperen. Daarbij hadden we toch één keer de plaatselijke city council aan onze rekker en werden we weggejaagd. We kwamen er met een waarschuwing vanaf maar verdwenen de dag erna toch wijselijk uit het stadje. Slapen in de auto aan de ‘Gold Coast’ kan een boete van $300 opleveren en de man die ons wegjaagde had een foto genomen van onze nagelnieuwe nummerplaten. Niet met ons zulle! We schrapten maar meteen heel de Gold Coast,die toch als enige plaats in Australië volgebouwd staat met lelijke appartementen en te veel McDonaldsen. McDonaldss. Mcdonaldsns.

de slaapkamer...

... en het uizicht uit onze slaapkamer :-)

We vluchtten (niet echt hoor, maar ‘t klinkt spannender hé) naar Agnes Waters, een klein en rustig stadje met goeie golven, een mooie omgeving en maar letter toeristen. Waar we aankwamen vonden we een Fish&Chips en een reisbureau. We stekten een frietje en sprongen ook eens binnen bij de buren om te informeren naar de Whitsundays, een eilandengroep die we graag met een zeilboot wilden bezoeken. Dat was ons plan voor over een dikke week of misschien twee, maar we wilden wel al eens een idee krijgen van de prijs en zo.

Gelukkig, want we hadden er niet aan gedacht dat de paasperiode wel eens druk zou kunnen worden, en de komende weken bleken volgeboekt te zijn. De enige optie was om de ochtend erna te vertrekken op een driedaagse zeiltrip met een boot die in zijn hoogdagen nogal veel races gewonnen heeft. Cool! Maar de haven waar we de ochtend erna op die boot moesten, was nog een dikke tien uur rijden… als onze Van het zolang zou uithouden. Daarbij was het al twee uur ‘s middags… We geraakten er, een liter of vijf koelvloeistof lichter en met bloeddoorlopen ogen, maar dat hadden we er graag voor over.

Kijk maar op het filmpje waarom: apollo III

De whitsundays zijn prachtig: blauw water en spierwitte stranden op veel kleine eilandjes. We zeilden van het ene eiland naar het andere, stopten onderweg om te duiken en te snorkelen aan de rand van het great barrier reef en pikten een straaltje zon mee op ons lengde op het dek. ‘s Avonds dronken we een glas wijn terwijl we brood gooiden naar de vissen, en probeerden in het donker een foto te nemen van de dolfijn die rond onze boot cirkelde. We vonden dat toch alle twee niet mis. Vooral toen we de laatste dag behoorlijk veel wind hadden voor de terugkeer, en de bemanning een passerende boot uitdaagde voor een raceke. We wonnen met overschot en merkten waarom de crew zo enthousiast was over hun boot. Niet ‘hun’ boot natuurlijk, zij hebben alleen de leuke job om ermee te zeilen als beroep.

We dachten er even over na om ook zo’n boot te kopen en wat rond te zeilen met een hoop toeristen, maar verloren de moed als we de prijs hoorden. We gaan het toch maar bij onze eigen job houden, onze oudjes gaan daar contenter mee zijn ook :-)

We bleven nog een nachtje hangen in de haven voor een afscheidsparty, en hadden de dag erna een beslissing te nemen. Het eerste plan was om door te rijden naar Cairns in het Noorden, en daar de Van te verkopen. Dat was wel nog ver, en we hadden gehoord dat het op zich niet zo’n mooie stad is. De andere optie was terugkeren naar Sydney. Daar konden we bij Laure op het appartement logeren. Niet alleen een goedkopere oplossing, we hadden ons in sydney ook geamuseerd en keken er naar uit om nog eens een pint te gaan pakken met Laure en die grappige bende vloekende Ieren.

Zo gezegd zo gedaan, en na een tussenstop in Byron Bay en enkele andere leuke plekken van op de heenreis, zitten we nu intussen al een kleine twee weken in Sydney. Terugkeren naar hier was met het oog op de verkoop van de auto niet zo’n goed idee. Het is hier koud laagseizoen, en de beruchte Victoriastreet staat vol campervans te koop, zonder toeristen om ze te kopen. Pj hing er een dikke week rond, wanhopig op zoek naar kopers, intussen vrienden makend met andere wanhopige wannabe-verkopers. Een gezellig sfeertje voor een dag of twee, maar op het eind van de week beslisten we dat het genoeg geweest was en dat we de van aan een dumpprijs zouden wegdoen. Twee minuutjes later hadden we een koper gevonden, tien minuten later waren alle documenten geregeld en waren wij twee terug op ons gemak. Terrasje!

Dinsdag gaan we nog een keer op reis. We kijken hier vanavond nog eens naar ‘Lord of the Rings’ om wat aan het landschap te wennen, en dan zijn we er gereed voor.
Kiwis, here we come!

De foto’s kan je zoals gewoonte hier vinden.

Wilsons Promontory – Byron Bay

maart 24th, 2011

Na de schilderwerken trokken we verder van zuid naar noord. Op aanraden van de mensen waarbij we logeerden, gingen we eerst naar Wilsons Promontory, een nationaal park dat we volgens hen moesten gezien hebben, en waarlangs we anders waren gepasseerd. En inderdaad, het was de moeite. Weeral een te mooi om waar te zijne barbequeplaats gevonden, en zo wordt de lijst met idyllische plekjes waar we al worsten en burgers gebakken hebben stilaan eindeloos.

Onderweg naar Sydney besloten we toch de kleine ommetoer te maken naar Canberra, de hoofdstad van Australië. Een grappige stad, vooral omdat hij zo rustig is. Er woont bijna niemand, de brede straten zijn zelfs tijdens de spits zo goed als leeg, en heel de stad ziet er nieuw uit. Mooi om eens te zien, maar eigenlijk is daar niet zoveel te beleven. De wijsheidstand van Caroline die hem even liet opmerken, hielp ons mee beslissen om het na twee dagen voor bekeken te houden.

In Sydney konden we logeren bij Laure, een vriendin van Caroline die daar al meer dan een jaar woont en werkt. In de stad waar het anders het moeilijkst zou zijn voor ons om in ons busje te kunnen slapen, kregen we in de plaats daarvan een ruim appartement met een zacht bed en goed gezelschap van Laure en haar roommates Donna (een leuke Ierse) en Dan (een sanseveria). Ideaal! Overdag bezochten we de stad, en ‘s avonds leerden we tussen pot en pint schunnige Ierse gezegden van de vrienden van Laure en Donna.

Na een dag of zes waren de beentjes moe gewandeld en namen we afscheid, om 60 km van het drukke Sydney de Blue Mountains te gaan bekijken. Een nationaal park van bergen waarrond mist hangt die een blauwe kleur heeft. Die mist was toen we toekwamen zo dik dat we geen hand voor ogen zagen. De eerste drie dagen zaten we in een wolk, terwijl alles in ons busje natter en natter werd. Maar ons wachten werd beloond en de vierde dag scheen dan eindelijk toch de zon en konden we gaan kijken naar de ‘Three Sisters’ (daar kon Caroline toch niet aan passeren ;-) ). Die zusters zijn drie stukken rots, maar volgens een oud aboriginal verhaal waren het de dochters van een tovenaar, die ze in steen veranderde om ze te redden van een stouterik. Spijtig genoeg verloor de brave tovenaar zijn toverstaf, en sindsdien staan zijn dochters daar maar wat te pierelen als rotsen. We geloven er niet veel van, maar het uitzicht was wel de moeite waard.

In tegenstelling tot andere steden, waar het eigenlijk verboden is om in de auto te slapen, mocht dat in Newcastle wel. Dat maakte het een mooie plaats om iets langer te blijven: het is leuk als je niet altijd in den duik moet zoeken naar een parking waar je kan overnachten. We bleven een week, wat net genoeg tijd was om elke dag een ander strand te bezoeken. Pj kon zich na het zien van surfende dolfijnen niet meer inhouden, en kocht zijn eigen surfboard.
De rest van onze reis blijven we de kust volgen en met plaatsnamen als ‘surfers paradise’ en ‘the gold coast’ zou het bijna schande zijn om daar zonder plank onder de arm toe te komen. Nu, veel builen, een gabbe, verrokken nek en rug later, begint dat surfen er eindelijk echt een beetje op te trekken. We passeren geen strand zonder de golven te proberen, durven al eens een stadje overslaan omdat de golven er niet goed zijn, en zitten bijna elke dag in het water.

Port Macquary was zo’n kuststad waar de golven wél goed waren, dus bleven we enkele dagen. Zon, zee, strand en een gezellige haven (waar we ons trouwens vereeuwigd hebben op een geverfde rotsblok).
We bezochten ook het koala hospitaal, waar koalatjes met voornamelijk chlamidia verzorgd worden. We hadden al hier en daar een koala in het wild gezien, maar in zo’n park zitten ze natuurlijk veel dichter. En ‘t zijn koddigaardekes, kijk maar naar de foto’s.
Dat zijn trouwens niet de enige beesten die we al tegengekomen zijn. In onze auto vonden we al eens die veel te grote huntsmanspiders (grote harige spinnen), en een dodelijk brownsnake zorgde eventjes voor ophef op het strand toen die zijn wandelingetje aan het doen was tussen de badgasten. De kangoeroes vinden we de leukste, omdat ze grappig zijn (allee dat springen is er toch echt over), én nog eens lekker smaken ook!


Jammergenoeg is het niet al rozegeur en maneschijn. Op een nacht werden we wakker van drie gasten die plots vooraan in onze auto zaten. De autodieven schrokken zich een bult toen pj wakker werd en vroeg “wat doeje gulder ier?”, nog te slaperig om het in ‘t Engels te vragen. De stoere blik in zijn ogen moet indruk gemaakt hebben, want de drie sloegen op de vlucht. Ze hebben geen tijd gehad om iets te stelen, maar leuk is toch anders, en de volgende nachten sliepen we net iets minder diep.

In diezelfde week werden we ook tegengehouden door de politie. Ons nummerplaat was volgens de man niet leesbaar genoeg. Toegegeven, de 8 kon een B of een 3 zijn, en het was al lang niet meer duidelijk welke kleur de plaat ooit was geweest. Het was wél overdreven vonden we, om ons 350$ boete te geven. Het grootste probleem was dat we onze oude nummerplaten moesten opsturen naar de andere kant van het land, en een weekje of twee moesten wachten op nieuwe platen. In tussentijd zouden we niet mogen rijden, en zelfs niet parkeren op de openbare weg. We waren gedwongen om een camping te zoeken, wat ons minstens 35$ per nacht zou kosten, in totaal dus bijna het dubbele van de boete zelf.
Nuja over het algemeen zijn we dikke chancaards natuurlijk, en het toeval wil dat de laatste camping waar we korting gingen vragen, op zoek was naar iemand om de vuilnisronde te doen. Nu hebben we een gratis camping met zwembad en keuken, en in ruil halen we elke dag een uurtje de vuilzakken op. We hebben zelfs ons eigen trakteurke. De eigenaar zou tegen zijn secretaresse gezegd hebben dat hij nog nooit iemand zo enthousiast vuilnis heeft zien ophalen. Er zijn slechtere plaatsen om in vast te zitten dan Byron Bay…

Naar de procureur schreven we een brief dat we zijn boete maar stom vinden, en we die liever niet zouden betalen. Weinig kans dat die truk zal pakken natuurlijk, maar we gaan hun administratie toch wat laten werken voor hun 350$.

Tijd voor ons om nog eens in het tropisch zwembad te gaan plonzen voor we aan de vuilnisronde beginnen. :-)

Bis bald!

Voor alle foto’s kan je hier en hier terecht.

Darwin – Adelaide – Melbourne

januari 27th, 2011

We zijn het intussen al gewoon dat alles op onze reis niet loopt zoals voorzien, en ook in Australië was het begin niet zo vlotjes als gepland. We vlogen naar Darwin omdat dat de dichtste en goedkoopste vlucht was. Bovendien was het daar laagseizoen (regenseizoen), dus dachten we dat heel de stad vol zou staan met spotgoedkope busjes. We zouden maar te kiezen hebben…

Helaas: dat laagseizoen was intussen al twee maanden bezig en alle busjes die in die tijd niet aan reizigers verkocht geraakten, waren intussen door garagisten opgekocht die ze op hun beurt gingen verkopen in drukkere streken. Zover hadden we niet gedacht natuurlijk. Ons eerste idee bij gebrek aan beschikbare busjes: we springen op de vlieger en gaan naar het zuiden, waar het mooi weer is en de automarkten uitpuilen van de campervans. Dat was jammergenoeg een weekje voor kerstdag, en natuurlijk wilde iedereen uit het natte Darwin weg naar beter weer. De prijzen voor de vluchten verdriedubbelden vanneigens, en we zaten dus min of meer vast. In de regen. Zonder busje.

Terwijl we hierover liepen te vloeken vielen we als het ware over een Italiaans koppel (Marco en Elena, maar we noemden ze Spaghetti en Ravioli), de laatste twee gestrande toeristen in Darwin die op zoek waren naar kopers voor hun campervan La Mucca of De koe. Die hadden ze zelf geschilderd en daar waren ze zeer trots op. We beloofden dan ook plechtig de koevlekjes te behouden… ‘t zal wel.

Voor we vertrokken bedankten we de mensen waarbij we couchsurften. De eerste vier nachten konden we veel centen uitsparen door te logeren bij een grappig koppel. Noodle (een 50jarige clown) en zijn vriendin. Die woonden in een huis op stelten waaronder nog twee andere gasten leefden, elk onder hun muskietennet, en met een tuin vol autowrakken, kapotte frigo’s en luide kikkers. Wij kregen de living, en het gastvrije koppel bleef vier dagen in hun slaapkamer om ons zoveel mogelijk privacy te geven. We konden ons geen beter onthaal wensen.

En dan rijden: 3.500km door de outback dwars door Australië, van het regenwoud in het noorden naar het zand en de droge struikjes van het zuiden. Met onderweg dagen aan een stuk niets of niemand, alleen af en toe een klein woestijndorpje met meer honden dan mensen. De enige echte bezienswaardigheid is Ayers rock (ge weet wel, die grote rode steen). Die steen is indrukwekkend, maar op een of andere manier was al het ‘niets’ dat we zagen onderweg het mooiste van de rit. En de beestjes: kangoeroes, dingo’s, wombats, te veel om op te noemen. Van elke diersoort leer je hier eerst de opengesmeerde versie kennen, aangezien ze allemaal nogal graag de weg oversteken bij valavond, en daar duidelijk niet zo goed in zijn.

Als afsluiter van onze rit door de outback waren er de zoutmeren: spierwitte zoutvlaktes met zandstranden en duinen er rond. Zoals veel dingen hier moet je er eigenlijk geweest zijn, woorden schieten tekort en foto’s zijn te klein.

We geraakten zoals gepland voor kerstavond in Adelaide, en besloten onszelf te verwennen met een 5-dollar pint en een pizza. We raakten toevallig aan de praat met Drago, een Servische vluchteling van in de jaren ’90 die in Australië meer geluk had dan in zijn thuisland. Dat geluk wilde hij graag delen met een koppel arme reizigers, en dat deed hij met oesters en bier. Wij aten, dronken en waren content: meer moest dat niet zijn.
Een weekje later waren we in Victor Harbor om samen met Jan en Sarah, een duits koppel die we onderweg ontmoet hadden, oudejaar te vieren. We vulden de frigobox met bier en maakten hamburgers klaar, een waar feestmaal. In het centrum aan het strand was er een volksfeest aan de gang waar we met plezier aan mee deden. Een vuurwerk, die nog niet eens zo klein was, zette het nieuwe jaar feestelijk in.

Langs de Great Ocean Road, die zijn naam niet gestolen heeft en waarvoor we weer naar de foto’s verwijzen wegens ‘geen woorden’, tuften we op ons gemakske naar Melbourne. Daar hadden we afgesproken met enkele Belgische bekenden om samen naar de Australian Open te gaan. Een super ervaring! Federer, Sharapova,… en vooral Jusine Henin kregen onze luidkeelse steun. In het echt vindt zelfs Pieterjan tennis leuk.

Intussen waren we onze koevlekjes al grondig beu, en de roestplekken en de gaten die Spaghetti en Ravioli hadden proberen te camoufleren met de zwarte vlekken ook. Voor de verkoop op het einde van de reis was dat allemaal niet voordelig geweest, en voor de komende vier maanden zou het opvallende motiefje ons niet helpen om ongezien te kamperen waar we dat niet mogen. We kochten schuurpapier, verf en wat rollekes, en vonden niet veel beter dan een parking langs de autostrade om aan het werk te beginnen. Al schurend in de blakende zon stonden we ons af te vragen waar we mee begonnen waren: onze verf moest 12 uren drogen, en de duizenden vliegen en het opwaaiende stof van passerende auto’s leken ons niet de ideale omstandigheden.

En weer hadden we geluk: een vriendelijke man stopte op de parking om zijn hond uit te laten, vroeg ons om water voor zijn hond en waarmee we in godsnaam bezig waren. :-) We raakten aan de praat en hij nodigde ons uit om in zijn schuur verder te werken, op voorwaarde dat we die eerst hielpen opruimen. Ideaal! Hij bleek een super sympathieke pee, en bovendien vliegtuigmechanieker. Hij toonde ons enkele van de vliegtuigen waaraan hij werkte, nam ons mee in de auto om de omgeving te tonen, en had ervaring met antiroest (net wat we nodig hadden). Hij hielp met de schilderwerken en nodigde ons de laatste avond zelfs uit voor een barbeque bij hem thuis, zodat we zijn vrouw en twee van de drie zonen konden ontmoeten. We kunnen ons moeilijk inbeelden dat zoiets in België zou gebeuren, er valt nog wat te leren van die Aussies. :-)

Voor

Tussen

Na

Voor alle andere foto’s: hier

Indonesië

december 26th, 2010
Onze wilde plannen voor Indonesië werden wat in de war gehaald door de vulkaan ‘Merapi’ op het eiland Java. We wilden die gaan beklimmen, net als de Bromovulkaan op hetzelfde eiland, maar de uitbarsting gooide dus roet in het eten (heb je hem ;-) ). De streek rond de vulkaan was onbereikbaar door geblokkeerde wegen. De bussen er naar toe en hotels in andere toeristische trekpleisters wisten dat maar al te goed en ze verhoogden allemaal hun prijzen. Uiteindelijk was het goedkoper om een vliegtuig te nemen naar Bali, in plaats van er traagjes met de bus naartoe te rijden. We deden dat met het plan om van daar naar de bromovulkaan te gaan (die ligt op Java, maar dicht bij Bali). Het toeval was niet aan onze kant, en ook de bromo begon te pruttelen net voor we er geraakten. We zaten uiteindelijk zowat ‘vast’ op Bali, met een maand tijd over tot onze vlucht naar Australië.

Er zijn ergere plaatsen om te stranden, daar moeten we eerlijk in zijn. Bali is dé vakantiebestemming voor Australiërs, en er heerst een permanente vakantiesfeer over het eiland. Met het besef dat het leven in het dure Australië veel moeilijker zou worden, namen we het ervan: veel feestjes, lekker eten, een hotel met zwembad, … en als we daar even niet mee bezig waren, leerden we surfen. De foto’s daarvan tonen gelukkig niet hoe klungelig we op zo’n surfplank staan, en we zouden jullie vanalles kunnen wijsmaken over onze elegante surfmoves, maar geen mens zou het geloven he. Toch begint het al wat te lukken: we pakken al eens een golf, en staan zelfs al recht. Allemaal niet zo makkelijk als het lijkt. Vooral dat sturen wil maar niet lukken, en af en toe kegelden we wel eens een ‘echte’ surfer van zijn plank…

Stijf van al dat surfen moesten we er even uit, en we hoorden van Franse vrienden dat een jeep huren eigenlijk best wel goedkoop is. We gingen voor een weekje op toer rond het eiland met Jimmy, ons suzuki-jeepje dat meer weghad van een stekskesdoos op wielen. Maar hij bracht ons waar we wilden, en Bali is een mooi eiland met oneindige rijstvelden, verlaten strandjes, twee uitgedoofde vulkanen en gezellige kleine dorpjes tussendoor.

Terug in Kuta, onze thuisbasis, kwamen we weer onze Franse vrienden tegen. Tijdens enkele feestjes en etentjes vertelden ze ons dat ze net terug waren van Lombok, een bijna leeg eiland die de perfecte surfgolven zou hebben. We lieten ons weer door hen leiden, en sprongen op de boot. Lombok is het tegenovergestelde van Bali: er woont bijna niemand, er zijn geen toeristen, en eigenlijk is er gewoon bijna niets, maar de natuur is er prachtig. De ideale plaats om ‘even tot rust te komen’. We ontdekten ook dat de perfecte golven eerder voor professionele surfers waren dan voor ons geklungel. We lieten ons niet kennen en huurden een scooter en een surfplank, en gingen op zoek naar de beste plaats om ons te bewijzen aan de pro’s. We reden het grootste deel van de dag rond op zoek naar de plaats waar op dat moment goeie golven waren, en vonden uiteindelijk één plaats weg van de kust bij een rif waar we met de boot naartoe moesten. Caroline haakte af en Pieterjan besloot zijn kans alleen te wagen. Veel gemiste golven later, en met een serieus deel van de zee in zijn maag en oren kwam hij een uurtje of twee later met hangende pootjes terug.
Vanaf nu was het zwembad de betere optie voor de 2 resterende dagen. :-)

Voor nog een paar dagen gingen we terug naar ‘ons’ Kuta, waar we afscheid namen van onze vrienden, nog een feestje bouwden en de laatste voorbereidingen troffen voor ons nieuw avontuur: Australië!

Intussen is deel 2 van onze reis goed gestart en zijn we al 4.000 kilometer ver gereden in Australië met een koevlekbusje, ons “huis” voor de komende 5 maanden. :-)

 Voor al onze foto’s kan je weer hier terecht!

Maleisië & Singapore

december 4th, 2010

Voor Maleisië hadden we vooral onze zinnen gezet op de Perenthian Islands. De foto’s die we gezien hadden van andere reizigers deden ons verlangen naar witte palmboomstranden. Het grootste deel van de drie weken Maleisië zouden we dan ook op de twee mooiste eilanden blijven.

Helaas kaas, blijkt dat die eilanden buiten het hoogseizoen gewoon gesloten worden. De boten varen niet meer, en de eilandbewoners zijn blijkbaar toch geen echte diehards, want tijdens het regenseizoen sluiten ze allemaal hun boeltje en komen ze op het vasteland hun ‘echte’  job verder doen. Rare kwasten…

We kortten ons verblijf in Maleisië in tot een week of twee en begonnen met Georgetown, vooral eigenlijk omdat de bus uit Thailand nu toevallig daar stopte. We arriveerden in Little India, zoals je kan raden de Indische côté, en waren daar net op tijd voor Deepavali, het Indische (financieel) nieuwjaar dat volledig op de verkeerde datum valt (allee zeg, in oktober) en een week duurt. Ambiance!
Dat hadden we gemist sinds Indië: Tsjingeltsjangelmuziek, curry en reuzewierookstokken. :-)

 

 

 

 

 

 

 

In Kuala Lumpur hadden we afgesproken met Denis, een oud-collega van Caroline die zijn werk opgaf om hier te komen wonen met zijn vrouw en hun zoontje Ari. Lieve mensen waarbij we drie nachten mochten logeren. Onze avonden vulden we met spelen met Ari (vooral smoelen trekken vond hij leuk, ‘t manneke is 9 maanden), lekker gaan eten, te dure pintjes drinken op het dakterras en genieten van het uitzicht over de stad: het appartement is op het dertiende verdiep en kijkt uit over KL, ‘t is een foto waard.

Overdag probeerden we zoveel mogelijk van de stad te zien, maar die is zodanig groot dat we het meeste met de monorail deden (ja, zó groot), en de rest met een hop-on-hop-off bus. Als echte toeristen, met info door een koptelefoon en geregelde fotostops (we misten nog net witte kousen in onze sletsen en een onnozel klakske en we waren als rasechte japanners).
We liepen ook een serieus aantal kilometers, en na drie dagen waren we ‘ip en tenn’. Het was dan ook hemels om ‘s avonds in een zetel te kunnen ploffen. Thuiskomen in een living is a small but precious thing. En een van de kleine dingen die we geleidelijk aan beginnen te missen. :-)

Voor we doorreisden naar Singapore maakten we een tussenstop in Melaka, een oude Nederlandse handelsstad die volledig in het rood geschilderd is. Er is een oud kerkje met Nederlandse graven (met piratendoodschappen erop, harhar), een piratenmuseum en het oud “stadhuys”. Dat alles is het mooie oude centrum, alles errond is shoppingmall. We vonden er zelfs een enorme Carrefour en dwaalden er uren in rond alsof we zoiets voor de 1e keer zagen in ons leven. Een rijkelijk avondmaal was het resultaat, of wat had je gedacht.

Aan de immense shoppingmalls waren we al gewoon sinds Kuala Lumpur, waar we onze laptop lieten herstellen in een gebouw, 3x de ‘K in Kortrijk’, met alleen maar informaticawinkels.
Die malls met airco bieden een oplossing voor de warmte in rijke, hete landen: je kan grote stukken van de stad afwandelen van mall tot mall, soms ondergronds, soms boven de weg, zonder de warme zon te zien.

Singapore was nog erger, daar is het gewoon moeilijk om buiten te geraken. Maar dit is niet het meest verbazende aan de stad/het land (de stad is het land, het land is de stad). Het wordt ook het land van de 1.000 regels genoemd en dat mochten we al bij de grensovergang aan den lijve ondervinden…
Als niets vermoedende toeristen baanden we ons een weg door de sjekurietiechecks.

Helaas, obstakel 1:
Joost mag het weten maar blijkbaar is het een algemene regel dat je sigaretten moet aangeven vóór de douane, en niet áán de douane. Pj, die al maanden zijn kostbare Belgische tabak aan het meezeulen is, keek ook verbaast op toen hij met hebben en houten mee moest naar het politiebureau op de luchthaven. Er hing een boete van 200$ boven zijn hoofd omdat hij het niet op voorhand aangegeven had. Hij gebruikte “den truuk van den dommen toerist” en kon na lang onderhandelen de 200$ laten vallen. Maar om de tabak mee te krijgen moest hij 150$ taksen betalen… PJ keek dan ook met pijn in het hart toe hoe een schaar werd gezet in zijn oh zo overheerlijke Belgische tabak.

Helaas, obstakel 2:
Ondertussen ging het ook bij Caroline niet al te vlot. Joost mag het weten maar je klein rugzakje laten liggen op de bus terwijl je te voet de grens aan het oversteken bent, is blijkbaar “not done”! Onder begeleiding van 4 politieagenten en 2 speurhonden werd ze naar de bus gebracht om haar rugzakje te gaan opeisen. De standaardprocedure bij zo’n situatie werd ingezet: drugscontrole door de speurhonden van de bus, Caroline zelf en de buschauffeur, en een fouillering. Ook zij haalde “den truuk van den dommen toerist” boven. Ze kwam er met een waarschuwing vanaf.

Onder afkeurende blikken van de politie, de douane, de buschauffeur en onze medepassagiers konden we twee uur later de trip verder zetten… Hello Singapore! :-)

De stad is rijk, groot, nieuw, duur, indrukwekkend en maniakaal proper. We liepen er het eerste moment wat verloren in rond, je loopt dan ook van de ene verbazing in de andere. De een na de andere shoppingmall (allemaal 20x de ‘K in Kortrijk’), het grootste reuzenrad ter wereld, wolkenkrabbers, gigantische hotels, een F1-circuit,… ze lijken in alles de beste en de grootste.

Met een krap tijdsschema van 2 dagen zat er niets anders op dan weer de hop-on-hop-off bus te nemen om snel een volledig beeld te krijgen van de stad, je zou bijna denken dat we er verslaafd aan zijn. In een stad als Singapore waar alles overdreven is, zit je met open mond te staren, willens nillens.

Het perfect georganiseerde, superpropere imago van het land is alleen houdbaar door ontelbare regeltjes met duizend miljoen miljard camera’s op elke hoek van de straat. Overal hangen bordjes met wat je niet mag doen en welke overdreven boetes erop staan. Tussen onze foto’s vind je er een paar.
Onze favorieten:

Verboden Durians te eten (een bepaald soort fruit en een bepaalde plaats waar je ze beter niet eet)

Verboden te drinken op de h-o-h-o bus (waar je 4 uren in de blakende zon zit)

Singapore was leuk om eens te zien en heel mooi. Maar uiteindelijk niet zo echt ons ding. Er is niets persoonlijks aan het land, net hetgeen waar wij zo van genieten. Bovendien kost een pint hier 10€, tijd dus om naar Indonesië te vliegen! :-)

Foto’s Maleisië: hier 
Foto’s Singapore: hier

Thailand

november 15th, 2010

En dan… Thailand!

Op doortocht van India naar Laos hadden we al één dagje gespendeerd in Bangkok, en toen waren we onder de indruk van de rust, de kalmte, hoe vers het eten eruitzag, hoe proper alles was, … zowat alles waar je van onder de indruk bent in gelijk welk land na India. Al sinds dan verlangden we om terug te keren naar Bangkok. Iedere keer dat we weer smakeloze noodles moesten eten in Laos, Vietnam of Cambodia, hielden we vol met de gedachte aan Thailand, waar we onszelf rond zouden boefen, schransen, vreten. Daar hielden we ons dan ook hoofdzakelijk mee bezig in Bangkok. Eten, en wandelingetjes maken om ons eten te laten zakken. De kippen en varkens die we in die week binnengespeeld hebben zijn op handen en voeten niet te tellen.

Het Noorden van Thailand lieten we met spijt in het hart links liggen. Het schijnt zeer mooi te zijn, maar het regenseizoen was intussen begonnen, en de zichtbaarheid onder water zou snel minder worden. Niet onbelangrijk, aangezien we wilden duiken op Koh Tao, een eiland die op zich al prachtig is, maar vooral bekend is om de mooie koraalriffen er rond. Het kleine eiland is dan ook een duikmekka, met een enorme keuze aan duikscholen.
We vonden één Nederlandse instructrice die geen andere leerlingen had op dat moment,en waarvan we dus privéles konden krijgen… Daar bovenop kregen we een bungalowke bij het strand, gratis en voor niets tijdens onze cursus.

De dagen die volgden waren we van ’s morgens tot ’s avonds bezig met de duikles. De eerste dag theorie, de tweede dag alle noodscenario’s oefenen in het zwembad, en de volgende twee dagen gingen we duiken in de blauwe zee.

We voelden ons sneller op ons gemak dan we gedacht hadden, al is het niet evident om 18 meter onder de golven je masker af te doen en je mondstuk uit te halen en weg te gooien, om het dan blindelings terug te zoeken.
Dat duiken is ongelooflijk, en hoe mooi het was is moeilijk te omschrijven. We zwommen door scholen barracuda’s, over pijlstaartroggen en papegaaivissen, en vluchtten van een triggerfish, die blijkbaar nogal nijdig kan bijten. Dat en nog teveel beesten om op te noemen. Denk aan ‘finding Nemo’ om er een beeld van te krijgen.

Ja, het beviel ons wel, en al spraken we het niet uit, voor een paar dagen waren we jaloers op diegenen die maandenlang op het eiland bleven om Divemaster of instructeur te worden en dan les te geven. Ons visum die bijna verliep, zette ons weer met beide voeten op de grond. Om het te verlengen, moesten we het land uit en er opnieuw in. Een visum-run heet dat in Thailand, en er is niets leuks aan. We moesten met de boot naar het vasteland, met de bus naar de andere kant (west) van Thailand, daar weer met de boot naar een eiland van Myanmar. Daar bleven we een uurtje, om dan terug de op de boot te springen richting Thailand. Absurd, duur en tijdrovend, maar we hadden geen keuze.

Het jammerste was dat we ons strand- en duikparadijs opgegeven hadden voor Krabi, zowat de saaiste en meest grijze stad van thailand. Nu ja, we hadden ons zo goed gevoeld op ons eilandje dat we het gevoel hadden dat we “ons huisje” hadden moeten opgeven. Gelijk welke stad zou saai geleken hebben op dat moment.

Helemaal into eilanden, beslisten we naar een ander eiland te varen (misschien kon daar wel een duikje geplaceerd worden, wie weet). We belandden op Koh Lanta, en het was daar goed. :-)

We vonden een bungalow bij een mooie baai, met een bar waar elke avond het zelfde groepje optrad. Hun covers waren zo goed dat het ons een weekje niet kon schelen dat het repertoire niet veranderde.
Een varaan van een meter lang in onze eerste bungalow gaf ons een excuus om een eerste klas bungalow te krijgen, waar we Belgen als buren hadden. Een koppel met een altijd lachende baby en een actieve driejarige waarmee we veel tijd op het strand spendeerden. Er kwam zelfs een wijkfeest van, met een geïmproviseerde frigo in de lavabo.

Ook hier hadden we ons “thuis” gevoeld en namen we met een klein hartje afscheid van Koh Lanta en deze keer ook van Thailand.
De volgende bestemming was Malaysië. Niet zo evident om er de grens over te steken want beide landen hebben het niet zo met elkaar begrepen. Maar we zijn er heelhuids geraakt. Een begin.. het vervolg is voor binnenkort… :-)

Voor alle foto’s: hier

Cambodia

oktober 24th, 2010

Ons laatste blogbericht is intussen een maandje geleden, tijd voor een inhaalbeweging :-) . Na onze dolle rit door Vietnam besloten we in Cambodia een weekje congé te nemen. Efkes niet reizen, en eigenlijk ook niets doen. De ideale plaats daarvoor was Phnom Penh, de hoofdstad, waar we een guesthouse vonden met een zeer leuk dakterras met hangzetels, goeie muziek, leuke mensen en een zwembad naast de deur. Dat hielden we zonder problemen een weekje vol, want ondanks zijn hoofdstad status is het een heel gezellige plaats om rond te hangen.

Na onze rustweek voelden we wel dat onze tijd gekomen was om weer de baan op te gaan.

We bezochten de Killing Fields, één van de vele massagraven uit de Pol Pot-periode. De meeste skeletten zijn opgegraven, gekuist en per soort (schedels, dijbenen, …) gestapeld in een herdenkingsmonument. Veel lijken bleven onder de grond, en door het regenseizoen komen hier en daar stukken kledij en botten omhoog. Een vies gevoel om daar rond te lopen en de honden te zien spelen met stukken stof die ze van de lijkresten halen…

De geschiedenis van de Rode Khmer gaan we hier niet uit de doeken doen, wie meer wil weten zoekt het wel zelf op.

Doordat heel die miserie in Cambodia nog niet zo lang geleden is, is de heropbouw van het land eigenlijk nog in volle gang. Er zijn ook niet zo veel mensen, te wijten aan de succesvolle uitroeiing van de meeste Cambodianen. Misschien kwam het door de gezellige drukte van het overbevolkte Vietnam dat we hier de indruk hadden dat er een doodse sfeer hing over het land. We zochten de ambiance op in de kuststad Sihanoukville, de vakantiebestemming van vele locals. Strand, zee, cocktailkes, …  Gezellig allemaal, maar we waren goed uitgerust sinds ons weekje verlof, dus wilden we wat meer actie.

Onze eerste ‘actie’ was een bezoek aan het zijderupsenmuseum.  Niét door onze jarenlange voorliefde voor zijde of rupsen, maar omdat het gratis was. En gratis dingen zijn altijd leuker, en mooi meegenomen als wereldreizigers met een klein budget. :-) Het was wel interessant eigenlijk: een project dat jongeren in achtergestelde gebieden een oude ambacht aanleert. Zo houden ze hun erfgoed wat in stand (vooral bladgoudschilderen, zijde en fijne beeldhouwwerken in de Ankor Wat-stijl), en geven ze mensen werk.

We rondden af met een bezoek aan Ankor Wat.  Zeker de moeite waard! Ongelooflijk indrukwekkend door zijn grootte, en door de manier waarop de jungle het hele gebied inpalmt. De foto’s zeggen iets over de overwoekerende jungle, maar niet over de grootte. Om alles te zien zou je een weekje moeten rondtrekken door de ruïnes. Dat deden de meeste toeristen die we tegenkwamen, maar wij hebben het gewoonlijk nogal rap gezien in tempelcomplexen, en zelfs Ankor Wat is daarop geen uitzondering. :-)

En dan Thailand: jawadde dadde, manmanman …

Maar daarover binnenkort meer, we zijn het hier nog aan het afronden :-)

Vietnam… on the road

september 28th, 2010

Een weetje…
In vietnam rijden er bijna geen auto’s. Die zijn duur, en je geraakt er niet mee door het drukke verkeer in de steden. Er zijn brommers, veel brommers. En bussen, maar die neemt eigenlijk geeneen Vietnamees, want de buschauffeurs zijn gevaarlijke gekken die meer dan tien uur aan een stuk rijden, en op alles en iedereen voorrang hebben (en die ook nemen).

…en een ideetje
Op een dakterras in Hanoi hadden we dan ook een gek, maar leuk idee: we doen eens iets onnozels, en kopen een aftandse en veel te lichte motor (een Bonus Sun 125, iemand?), spannen er 40 kg bagage en onszelf op, en we cruisen er zo’n 2000 km mee door Vietnam.

En zoals dat gaat met gekke ideeën tussen pot en pint op dakterrassen, kwam van het één het ander. Twee dagen later vonden we een brommer die eruitzag alsof hij de lange rit misschien wel zou overleven. We lieten een extra heavy duty bagagerek lassen en pasten onze rugzakken erop. Om het voorwiel op de grond te houden, wat toch wel een vereiste is, moesten we 10 kg strippen. We selecteerden wat we nog nodig hadden uit onze bagage (twee t-shirts en een broek in feite), en stuurden de rest op naar huis. En dan nog eens proberen… en het lukte! Het te harde zadel waarop we samengeperst zaten was onze laatste hindernis, maar twee kussentjes losten dit op (klungelig of vakkundig, daar zijn we nog niet uit).

Gewapend met een kaartenboek, reserveband, reserveremkabels en wat Chinese sleutels en tangen konden we eindelijk vertrekken. Er werd ons aangeraden om de brommer eerst op de trein te zetten omdat de eerste helft van de route nogal ‘saai’ zou zijn. We bedachten dat een dag of drie rijden leuker zou zijn dan drie dagen wachten op een trage goederentrein, en vertrokken toch. De helft van Vietnam doen per motor klinkt ook zo maar half hé, geef toe.

Onze overladen brommer haalde 60 à 70 km per uur, en bergop meestal maar 15, de eerste dagen reden we dan ook van ’s ochtends tot ’s avonds om toch maar wat kilometers af te leggen. We volgden de Ho Chi Minh-trail tot in Hue. Grote steden of toeristische trekpleisters kwamen we inderdaad niet tegen (zelfs maar weinig mensen eigenlijk). Maar wel prachtige wegen, adembenemende bergpassen en een uitzicht om stil van te worden, dagen aan een stuk.

We hadden ook onze enige twee pannes in dit stuk. De ambriagekabel brak als we nog maar een half uurtje op weg waren. Gelukkig besloot hij te breken net als we een garage passeerden, en voor geen geld werden we opgelapt en weer op weg gestuurd.
De tweede panne enkele dagen later was iets serieuzer: de achterband, die door het grote gewicht zeer rap zeer warm werd, begaf het met een zuchtje en geflapper. Op zich niets ergs, maar in the middle of nowhere in de blakende middagzon een veel te zware brommer door de bergen duwen, er zijn leuker dingen. Vooral omdat we in de verste verte geen idee hadden van hoe ver de volgende stad was.

Na een kilometer, en dat was verder dan het klinkt, vonden we één huis. Gelukkig woonden daar de sympathiekste Vietnamezen van ’t land. Nadat we in het plat West-Vlaams uitgelegd hadden dat onze band plat was (dat verstaan ze even slecht als Engels), gaf onze gastvrouw ons koude thee (slecht maar fris) en sprong op haar brommer, geen idee naar waar natuurlijk, want haar Vietnamese uitleg sloeg voor ons nergens op.

Een half uurtje later kwam ze terug met twee garagisten, elk op hun brommer. Terwijl de twee ons wiel afhaalden, werden wij uitgenodigd om te eten: slang, rijst, vis en morning glory, met als afsluiter een glas rijstwhisky, waarvoor we bedankten omdat we nog moesten rijden ;-) . De beste maaltijd die we in Vietnam gekregen hebben, en tegen dat we klaar waren hadden de mechaniekers al met ons wiel naar de stad gereden en teruggekeerd met een nieuwe band erop. Ook banden zijn hier in brommermekka goedkoper dan neusdoekskes in België.

Na Hue draaide de Ho Chi Minh-trail af naar het binnenland, waar onze brommer de bergen niet zou aankunnen, dat was intussen al duidelijk. We beslisten om de kustweg te volgen. Zogezegd de autostrade, maar in werkelijkheid een mooi kronkelende tweevaksbaan, waarvan de kleinste rijstrook voorzien was voor brommers. Die moesten we wel delen met voetgangers, riksja’s, paard en kar, … Bovendien is de warme zwarte asfalt ook perfect geschikt voor het drogen van stro en rijst. Toch hadden we ook hier meestal de weg bijna voor ons alleen. Vooral in de Hai-Van pas, waar auto’s en bussen door een tunnel gaan van 7km, en brommers door de bergen moeten/mogen (25km). Indrukwekkende bergen aan één kant, de felblauwe zee aan de andere kant: een van de mooiste wegen ooit, en voor ons alleen.

We passeerden vanaf hier de belangrijkste toeristische steden dus er was veel te zien en te doen, en bovendien begon de brommer ook stilletjesaan wat rare geluiden te maken, begonnen we spaken te verliezen, en zat het achterwiel ronduit los…
We deden het dan ook wat rustiger aan vanaf toen. Meestal reden we één dag, waarna we een dag of twee ter plaatse bleven.

Zo vierden we in Hue de verjaardag van Sarah, de vrouw van Marino (van de Green Onions, jawel). In Hoi An liet Caroline een rokje op maat maken, terwijl ik de brommer oplapte: verse olie en nieuwe kogellagers in het achterwiel (we vonden platgeperste metalen bolletjes in onze trommelrem = niet goed).
In Nha Trang deden we de Funky Monkey boattrip: snorkelen tussen koraalriffen afgewisseld met een floating bar met gratis cocktails midden in de zee. We hadden gehoord dat we in Mui Ne konden duneboarden (snowboarden van reusachtige duinen). Dat was dan weer een ontgoocheling: kilometers door gloeiheet zand ploeteren om op een stukske plastiek traagjes van een duin te sleren. Het uitzicht maakte gelukkig veel goed.

Na drie weken van cruisen en toeristen, kwamen we twee dagen vroeger dan gepland toe in Saigon. Onze brommer had het sinds zijn laatste onderhoud volgehouden zonder pannes, wel met een erger wordend getik in de motor. De laatste kilometers reden we door een hevig onweer, maar we wilden onze tocht diezelfde dag nog afwerken. Bovendien was er op de drukker en groter wordende weg naar Saigon gewoon geen mogelijkheid om langs de kant te stoppen en te wachten op beter weer. We arriveerden, en vierden het succes van onze tocht door Vietnam met noodles en bier.

We namen contact op met een man waarvan we wisten dat hij waarschijnlijk onze brommer zou willen kopen, en spraken af de dag erna. Voor onze laatste rit naar de koper stopten we aan de carwash (brommerwash eigenlijk),  waar het ons tijdens het wachten duidelijk werd dat we een stukje vrijheid zouden moeten opgeven, en weer afhankelijk worden van bussen en taxi’s, en een iets minder ongebonden tijdsschema dan we intussen gewoon waren…-snif-

De verkoop verliep goed, en dus keerden we terug… met de taxi. :-(

Te voet en met  het openbaar vervoer bezochten we in de dagen daarna de stad en het museum over de Vietnamoorlog, voor we op de bus sprongen richting Cambodia! Maar daarover meer in een volgend blogbericht. De moedige lezer die het al tot hier volhield, gunnen we een welverdiende leespauze.

Brommer T-shirts als aandenken

Pijnlijk afscheid;-)

Hanoi – Halong Bay – Cat Ba Island

september 15th, 2010

De weg naar Hanoi:

  • 12 uur aan een stuk op de bus van Laos naar Vinh in Vietnam. Vinh leek een saaie, doodse stad dus pakten we direct de nachtbus naar Hanoi, nog eens 6 uur extra. Om 4u30 ’s nachts kwamen we aan in de hoofdstad. Krom en gebroken, maar content dat we er waren, gingen we richting hostel om nog wat slaap in te halen.
  • Op onze route zagen we 100 km aan een stuk: overstromingen, platgewaaide bomen, beschadigde huizen … Gelukkig kwamen we net ná het slechte weer.

Hanoi

  • In de hostel kon je lekkere hamburgers krijgen. Eindelijk de portie vlees die pj nodig had. En we kochten ook goedkoop, lekker eten uit de supermarkt. Het 1e land waar het goedkoper is dan in de plaatselijke restaurantjes.
  • De stad is er eentje ideaal om in rond te kuieren.
  • Op 2/09 was het 65 jaar independance day in Vietnam. Er was vuurwerk aan het meer, de stad was mooi versierd met lichtjes en bloemen en overal waren optredentjes met traditionele muziek en dans. Heel gezellig om zien maar wel ongelofelijk druk. Als ze hier met 3.000.000 mensen wonen dan waren ze gegarandeerd allemaal op straat. Gevolg rond het uur van het vuurwerk: overal geroep en getier door mensen die vastzaten, en moeders die hun schreeuwende kinderen door het volk sleurden om ze toch maar het vuurwerk te tonen. Ocharme die kinders! En ocharme wijzelf, we zijn het volk en de hitte proberen te ontvluchten, maar moesten daarvoor letterlijk over mensen kruipen. Nood breekt wet.

Halong Bay – Cat Ba Island

Het was goedkoper om drie dagen op cruise te gaan dan zelf de bus te nemen naar Halong Bay. 3 dagen georganiseerd reizen, (zelfs het eten was inbegrepen) het was eens iets anders.

  • Dagje varen in de baai, onderweg gestopt aan een floating village om te kajakken en een prachtige grot bezocht. (UNESCO werelderfgoed)
    ’s Avonds het anker uitgeworpen midden de zee om een zwemke te doen, te eten en te slapen op de boot.
  • Tweede dag doorgevaren naar Catba Island, het grootste eiland, waar we een nachtje op hotel bleven. Het eiland had een prachtig strand met glashelder zeewater van 30°. (de Noordzee heeft voorgoed afgedaan)

Vietnam wil Halong Bay laten erkennen als achtste wereldwonder, terecht! Duizenden kleine eilandjes, blauw water, drijvende vissersdorpen waarvan de meeste bewoners heel hun leven niet aan land gaan, kleine ‘winkelbootjes’ die langskomen met groenten, fruit,… :-)

Yep, het mag gezegd zijn, we zijn Vietnam nog lang niet moe! Er volgt nog meer… :-)