Al zijn we misschien wel al thuis voor je dit leest, een berichtje over Nieuw-Zeeland kan toch niet ontbreken als we de blog echt volledig willen maken. Dat is trouwens makkelijker gezegd dan gedaan, iedereen zegt op zijn blog dat N-Z ò zo mooi is, en dat er zoveel te zien is, en allemaal op zo’n klein stukske land, en dat drie weken niet genoeg is om alles te zien, en amai, en waw, en veel complimenten voor prachtig Nieuw-Zeeland.
En dan kijk je naar foto’s van mensen die er geweest zijn en zie je bergen, veel groen en hier en daar een schaap en vraag je je af of al dat gestoef niet een beetje overdreven was. Maar Nieuw-Zeeland plakt niet op foto, het is te groot, en te mooi, en te overal. Ge moet er eigenlijk geweest zijn. Zelfs de dolfijnen zwemmen net iets te rap om er klare foto’s van te krijgen. En dan mogen we er nog zoveel gezien hebben, de bewijzen ervan zijn wazig.
De zeehondjes maken gelukkig veel goed, want die zijn redelijk lui en fotogeniek. Caroline slaagde er in om nét niet over eentje te vallen. Gelukkig, want ze zijn niet klein en kunnen nijdig bijten ‘t schijnt. Ik kwam te laat voor de bijna-valpartij, maar kon nog juist een foto trekken van haar verschot:

Gletsjers zijn daar ook ambetant voor. Wij zien hier hoe enorm ze zijn, groot genoeg om rotsen te verpulveren waarlangs ze passeren. Op foto lijken ze klein en dat grijs stof maakt ze vooral een beetje vuil, die vieze gletsjers. Maar niets is minder waar natuurlijk.
En de ijsbergen die er afbreken zijn precies ijsblokjes. De boot vol toeristen op de foto geeft gelukkig wat perspectief. Ja, het gele vlekje is een bootje.

Nu we aan het eind van de reis zijn en niet zoveel tijd hebben voor N-Z, reizen we een stuk rapper dan alle maanden ervoor. We hadden een behoorlijk druk schema deze laatste drie weken. Te veel om op te noemen, en voor dit laatste blogbericht nemen we de vrijheid om er gewoon enkele dingen van op te sommen:
Eerst en vooral ons verschot over welk een spookstad Christchurch geworden is na de aardbeving: het centrum van de stad is verboden terrein omdat echt élk gebouw op instorten staat. De straten zijn opengescheurd, de rand rond de stad lijkt verlaten, grijs en griezelig. Onze eerste nacht werden we wakker door een naschok van 4.1, en vertrokken nogal rap daarna…
De ‘Thunder Jet’, de 750pk motorboot waarmee we rakelings langs rotsen en brugpijlers zoefden op och-here vijf centimeterkes water, met hier en daar tussendoor 360 graden spins en stroomversnellingen. Ook hiervan hebben we vooral foto’s van wazige strepen en rondvliegend water. Ge gaat ons op ons woord moeten geloven.

Nog een boottrip, maar iets trager, door Milford sound. Een fjord (en we weten nu zelfs wat dat woord wil zeggen) met zoveel watervallen rond ons dat we er voor efkes geen meer moeten zien zelfs. Adembenemend mooi decor met dolfijnen hier en daar, en zeehondjes die ons van op de rotsen toekeken.
En de chocoladefabriek waar Caroline zich ziek at, en de duizenden gloeiwormkes in de Waitomo grot, en de geisers, de mudpools en warmwaterbronnen en de haka van de Maori’s en te veel om op te noemen.

Maar misschien nog het mooiste van al, was gewoon onderweg: op enkele uren rijden van zee en strand door regenwoud naar besneeuwde bergen en geen minuut zonder “waw”, en “amai”, en “ja ze hadden misschien wel gelijk over Nieuw-Zeeland, we hadden ons hier langer kunnen bezighouden.”
Voila,
Als we nu nog een laatste keer sjans hebben, we hebben er al heel ‘t jaar, dan trekt de aswolk vanuit Chili op haar gemakje verder weg en vliegen wij zonder probleem richting frietjes, préparé en braadworsten.
Foto’s van het zuid eiland vind je hier
Foto’s van het noord eiland vind je hier

























































